RFNBO na 2030: waarom beleidscontinuïteit belangrijk is voor Noord-Nederland en de Europese waterstoftransitie

Door: Beau Broen, Projectmanager Waterstof bij New Energy Coalition

De Europese waterstofsector werd onlangs opgeschud door berichten over een uitgelekte conceptanalyse (impact assessment) voor de opvolger van de Richtlijn hernieuwbare energie III (RED III). Binnen het huidige kader gelden bindende doelstellingen voor het gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong (RFNBO’s). Voor de industrie geldt dat RFNBO’s in 2030 minimaal 42 procent van het relevante waterstofgebruik moeten uitmaken, oplopend tot 60 procent in 2035.

Volgens berichten over de uitgelekte conceptanalyse voor RED IV wordt voor de periode daarna een wezenlijk andere aanpak overwogen. Bindende nationale verplichtingen zouden mogelijk kunnen worden afgezwakt of vervangen door een meer indicatieve doelstelling op Europees niveau. De uiteindelijke aanpak staat nog niet vast en er is nog geen sprake van een formeel voorstel van de Europese Commissie, maar de richting van het debat is van belang.

Dat belang reikt veel verder dan Noord-Nederland. In het afgelopen decennium zijn in heel Europa Hydrogen Valleys ontwikkeld vanuit de verwachting dat groene waterstof en andere groene moleculen een essentieel onderdeel zullen worden van het toekomstige energie- en industriesysteem. Bedrijven, overheden, kennisinstellingen en infrastructuurbeheerders hebben geïnvesteerd in productie, distributie, opslag en toepassingen. Met HEAVENN behoorde Noord-Nederland tot de eerste, door de EU erkende voorbeelden van een geïntegreerde Hydrogen Valley. Een afzwakking van de wettelijke vraag naar RFNBO’s zou daarom niet slechts één regio treffen, maar gevolgen hebben voor opkomende waterstofwaardeketens in heel Europa.

Zekerheid over de vraag vormt de basis van de waterstofmarkt

De fundamentele uitdaging voor groene waterstof is niet alleen de toegang tot financiering, maar vooral de zekerheid dat er in de toekomst daadwerkelijk voldoende vraag zal zijn. Veel potentiële gebruikers vergelijken groene waterstof nog altijd rechtstreeks met aardgas of andere fossiele alternatieven. Zolang er een aanzienlijk prijsverschil bestaat, is er een sterke economische prikkel om de overstap uit te stellen. Bindende RFNBO-verplichtingen zijn daarom cruciaal in deze fase van marktontwikkeling: ze creëren een door regelgeving gestimuleerde vraag naar een product waarvoor nog onvoldoende zelfstandige marktvraag bestaat.

Dat signaal werkt door in de hele waardeketen. Als bedrijven weten dat het gebruik van RFNBO’s verplicht wordt, hebben zij een reden om projecten te ontwikkelen, met leveranciers in gesprek te gaan en langjarige afnameovereenkomsten te sluiten. Producenten kunnen de verwachte vraag meewegen bij hun beslissing om te investeren in elektrolysecapaciteit. Infrastructuur- en opslagbeheerders krijgen meer zekerheid over toekomstige volumes, terwijl technologieleveranciers en dienstverleners erop kunnen vertrouwen dat er een markt voor hun producten ontstaat. Als de verplichting wordt afgeschaft of afgezwakt voordat de markt volwassen is, verzwakt de wettelijke basis onder die toekomstige vraag. Investeringsbeslissingen worden moeilijker, projecten lopen vertraging op en de ontwikkeling van de markt dreigt verder naar de toekomst te verschuiven. Dit geldt zowel voor grootschalige elektrolyseprojecten als voor regionale initiatieven. Grote projecten hebben zekerheid nodig over langjarige afname voordat zij honderden miljoenen euro’s investeren; kleinere bedrijven moeten erop kunnen vertrouwen dat de markt waarin zij investeren blijft bestaan.

Dit speelt des te sterker voor partijen die al hebben geïnvesteerd op basis van het RFNBO-kader. Europa heeft bedrijven actief aangemoedigd om binnen een specifieke beleidsrichting de productie, technologieën en toepassingen van groene waterstof te ontwikkelen. Deze investeringen hebben vaak een economische levensduur die veel verder reikt dan 2030 en 2035. Een wijziging van het mechanisme dat de vraag stimuleert voordat de markt volwassen is, dreigt daardoor niet alleen toekomstige projecten te ondermijnen, maar ook reeds gedane investeringen.

Europa heeft naast groene elektronen ook groene moleculen nodig

De discussie over RED IV moet ook worden bekeken binnen de bredere context van de Europese energietransitie. Het Europese beleid is zeer succesvol geweest in het opschalen van hernieuwbare elektriciteit en verdere elektrificatie moet een belangrijke pijler van de verduurzaming blijven. De overgang van fossiele naar hernieuwbare moleculen verloopt echter veel langzamer.

Elektriciteit vertegenwoordigt momenteel nog altijd minder dan de helft van het finale energieverbruik in Europa. Zelfs bij een snelle elektrificatie blijft een aanzienlijk deel van het toekomstige energiesysteem afhankelijk van moleculen. Industriële grondstoffen zijn van nature moleculair: voor de productie van chemicaliën en kunstmest, raffinage en delen van de staalproductie zijn moleculen als grondstof nodig. Ook zwaar transport, langdurige en seizoensgebonden energieopslag en bepaalde industriële processen op hoge temperatuur hebben alternatieven nodig wanneer directe elektrificatie moeilijk of economisch niet rendabel is. Hierdoor ontstaat een belangrijke ongelijkheid in de ontwikkeling. Europa heeft een volwassen beleidskader ontwikkeld voor de verduurzaming van de elektriciteitsopwekking, terwijl de commerciële productievolumes van groene waterstof en andere groene moleculen nog beperkt zijn. Specifieke waterstofinstrumenten, zoals de European Hydrogen Bank, IPCEI-projecten en Hydrogen Valleys, zijn pas relatief recent ontstaan. De transitie naar hernieuwbare moleculen bevindt zich daardoor nog in een eerdere ontwikkelingsfase.

Als Europa vasthoudt aan klimaatneutraliteit in 2050, kan dit verschil niet worden genegeerd. Directe elektrificatie kan een groot deel van de vraag naar fossiele energie vervangen, maar kan niet zelfstandig alle industriële grondstoffen, energie-intensieve processen, langdurige energieopslag en transporttoepassingen verduurzamen. Hernieuwbare en koolstofarme moleculen moeten zich daarom naast hernieuwbare elektriciteit ontwikkelen. Vanuit dat perspectief is de logische beleidsvraag hoe de overgang van fossiele naar hernieuwbare moleculen kan worden versneld, niet hoe het kader dat de vraag stimuleert kan worden afgezwakt voordat er een functionerende markt is ontstaan.

Eén ecosysteem, in ontwikkeling op verschillende schaalniveaus

Noord-Nederland laat zien waarom dit in de praktijk van belang is. De regio bouwt al jaren aan een geïntegreerd waterstofecosysteem. Grote producenten en industriële partijen ontwikkelen projecten rond de Eemshaven, Delfzijl en andere industriële locaties, terwijl decentrale initiatieven de productie van groene waterstof rechtstreeks verbinden met de regionale industrie, mobiliteit en andere toepassingen.

Deze modellen concurreren niet met elkaar. Grootschalige productie is nodig om voldoende volumes te leveren voor de verduurzaming van de industrie, het toekomstige landelijke waterstofnetwerk, grootschalige opslag en een bredere nationale en Europese markt. Regionale initiatieven kunnen concrete relaties tussen producenten en afnemers opbouwen, toepassingen in de praktijk aantonen, operationele ervaring opdoen en vraag ontwikkelen in delen van de economie die in eerste instantie mogelijk niet door de grootste projecten worden bediend.

Het mkb speelt binnen dit systeem een bijzonder belangrijke rol. Regionale bedrijven investeren in RFNBO-productie, elektrolysers, compressie, opslag, machines, mobiliteitstoepassingen, engineering en andere waterstoftechnologieën en -diensten. Sommige bedrijven hebben al aanzienlijk kapitaal, personele capaciteit en jaren aan ontwikkelwerk geïnvesteerd in een markt die zij mede op aanmoediging van Europees en nationaal beleid zijn gaan betreden. Hun kwetsbaarheid kan bijzonder groot zijn, omdat een klein aantal waterstofinvesteringen een aanzienlijk deel van hun beschikbare investeringscapaciteit kan vertegenwoordigen.

Maar het onderliggende probleem is in de hele keten hetzelfde. De initiatiefnemer van een grootschalig elektrolyseproject kan het definitieve investeringsbesluit uitstellen omdat langjarige afname niet kan worden gegarandeerd. Een technologieleverancier kan besluiten zijn productie niet uit te breiden. Een regionale producent kan afzien van een volgende elektrolyser, terwijl een industriële afnemer de ombouw van zijn productieproces uitstelt. Samen vertragen deze beslissingen de ontwikkeling van het hele ecosysteem.

De gevolgen raken vervolgens ook de infrastructuur en opslag. De waterstofinfrastructuur in Noord-Nederland is bedoeld om regionale productie, de Eemshaven, Delfzijl en grootschalige opslag met elkaar te verbinden en uiteindelijk aan te sluiten op het nationale en internationale waterstofnetwerk. Die infrastructuur vraagt om voldoende doorvoer. Als productie en consumptie zich langzamer ontwikkelen, daalt de benuttingsgraad en moeten de kosten worden verdeeld over minder gebruikers en minder kilogrammen waterstof. Dit versterkt het kip-en-eiprobleem dat de markt juist probeert te doorbreken.

Het Noordzee-energiesysteem maakt deel uit van dezelfde waardeketen. Naar verwachting zullen steeds grotere hoeveelheden hernieuwbare elektriciteit van offshoreprojecten in Noord-Nederland aan land komen. Elektrolyse kan voor een deel van die productie een flexibele vraag creëren en de elektriciteit omzetten in waterstof voor de industrie, transport via het waterstofnetwerk en grootschalige opslag. Minder vertrouwen in de toekomstige vraag naar RFNBO’s kan daarmee ook een van de mogelijkheden verzwakken om hernieuwbare elektriciteit van zee te integreren in het bredere energiesysteem.

Beleidscontinuïteit is nu essentieel

Dit betekent niet dat het waterstofbeleid nooit mag veranderen. Markten ontwikkelen zich, technologiekosten veranderen en het Europese beleid moet zich aanpassen. Maar aanpassingen moeten rekening houden met de volwassenheid van de markt en de investeringen die eerder Europees beleid heeft helpen initiëren.

De EU ondersteunt Hydrogen Valleys al jaren juist omdat regionale ecosystemen productie, infrastructuur en eindgebruik met elkaar kunnen verbinden en kunnen laten zien hoe hernieuwbare moleculen onderdeel kunnen worden van een toekomstig energiesysteem. Als Europa meer flexibiliteit introduceert in het RFNBO-kader voor de periode na 2030, moet dat gepaard gaan met een geloofwaardig kader voor de verdere marktontwikkeling in regio’s en sectoren die klaar zijn om de stap van demonstratie naar commerciële schaal te zetten.

Zo’n kader moet voldoende langetermijnzekerheid over de vraag bieden, zodat producenten en industriële afnemers afnameovereenkomsten kunnen afsluiten. Daarnaast moet het voorzien in een passende overgangsregeling voor investeringen die onder het huidige RFNBO-kader zijn gedaan en toonaangevende Hydrogen Valleys en industriële clusters in staat stellen de commerciële toepassing van hernieuwbare moleculen naast hernieuwbare elektriciteit te demonstreren.

Een afzwakking van het RFNBO-kader zou niet alleen gevolgen hebben voor de Hydrogen Valley in Noord-Nederland, maar ook voor opkomende waterstofecosystemen in heel Europa. Regio’s in heel Europa hebben jarenlang gewerkt aan vergelijkbare ecosystemen, vaak met expliciete Europese aanmoediging en financiering. Ze kunnen nu dienen als praktijkomgevingen waarin Europa laat zien hoe niet alleen de elektriciteitsvoorziening verduurzaamd kan worden, maar ook de moleculen waarvan grote delen van de industrie en het energiesysteem afhankelijk zullen blijven.

De uitgelekte conceptanalyse is nog geen vastgesteld Europees beleid en de uiteindelijke RED IV kan er nog aanzienlijk anders uitzien. Maar de centrale vraag blijft: geeft Europa de opkomende markt voor groene waterstof voldoende tijd en beleidszekerheid om de stap van demonstratie naar commerciële toepassing te zetten?

Zolang groene waterstof niet op eigen kracht kan concurreren met fossiele alternatieven, is een bindende toekomstige vraag geen detail in het waterstofbeleid. Het is een van de fundamenten waarop in Europa een economie rond hernieuwbare moleculen wordt opgebouwd. De beleidsuitdaging zou daarom niet moeten zijn hoe snel dit fundament kan worden weggenomen, maar hoe het kan worden gebruikt om de markt zover te ontwikkelen dat het niet langer nodig is.

Als dit fundament wordt verzwakt voordat de markt er klaar voor is, dreigen investeringen in het hele waterstofecosysteem van Noord-Nederland en elders in Europa te vertragen – van het regionale mkb tot de grootschalige industrie.

Deze experts werken mee

Beau Broen

Projectmanager Waterstofketens

Als projectmanager bij New Energy Coalition richt ik mij op het ontwikkelen en realiseren van projecten waarin waterstof een rol speelt. Met een achtergrond in Technische Bedrijfskunde en een Master in Duurzame Energiesystemen heb ik ruime ervaring in het opzetten van business cases voor de energietransitie. Zo heb ik bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar waterstofproductie op boerderijen met hernieuwbare energie in Australië. Ik ben gedreven om via mijn werk een bijdrage te leveren aan de maatschappij, waarbij de energietransitie voor mij een uitstekend platform biedt. Daarnaast zet ik mij in voor de medewerkers van New Energy Coalition via de ondernemingsraad, ben ik bestuurder bij en winnaar van de World H2 Awards 2026 - Person of the Year.

Expertises: Waterstof Energiehubs Modellering van energiesystemen Modellering van business cases